


Vandaag veel onderwijsnieuws.
De schoolstrijd barst los!
Liz logeert dit weekeinde bij ons. Altijd gezellig. Liz is vijf jaar en praat honderduit. Haar mondje staat niet stil. Op zaterdag doen we boodschappen. We parkeren de auto in de parkeergarage naast het winkelcentrum en wandelen naar de AH. "Als je dood ben, dan ben je bij de here Jezus", deelt Liz ons mee. Goed om te weten. "Maar niet als je stout bent , want dan ben je bij de duivel. Want die houdt van stout".
Liz zit in groep 2 van de basisschool. De Samen Op Weg-school voor protestants-christelijk onderwijs en dat is te merken ook. Hoe klein ze is, ze kent meer Jezusliedjes dan dat ik wist dat er bestonden. Prima hoor, daar zul je me niet over horen. Liz vindt zingen leuk, ze doet het graag, veel en luidruchtig. En dan maakt het mij niet uit of ze van Berend Botje zingt, of over het Lichtje in haar Hart. Allemaal prima.
Maar dat ze bang wordt gemaakt voor wat haar na de dood te wachten staat, dat vind ik wat anders. Ik weet niet goed hoe ik hier mee om moet gaan. Hoe moet ik in hemelsnaam reageren op haar mededeling over de duivel? Ik kom niet veel verder dan "Goed zo Liz, je hebt goed opgelet toen de juf dat vertelde". Maar het voelt niet goed.
Mag de school bepaalde kleding verbieden?
Kleding zegt veel over wie je bent. Als je wilt dat mensen je als skater zien, trek je een wijde laaghangende broek aan. Wil je dat de mensen jou een kakker vinden, dan trek je een nette broek aan met lage schoenen en een stijf gestreken bloesje. Een directeur wil vaak dat zijn bedrijf of kantoor een bepaalde uitstraling heeft en vaak zal hij daarom zijn personeel verzoeken bepaalde kleding te dragen. Zo zal een advocate meestal een mantelpakje aan hebben en een ober in zwart-witte kleren. De directeur van jouw school zal vast ook tegen alle docenten hebben gezegd dat zij er netjes bij moeten lopen. Hij zal het waarschijnlijk niet goed vinden als de nieuwe lerares in een sexy korte broek voor de klas staat! Maar hetzelfde geldt voor jullie, als leerlingen. Niet alle scholen vinden het goed als de jongens met baseballpetjes op in de klas zitten.
Dennis is de stoerste jongen van de klas. Hij heeft altijd de nieuwste en duurste merkkleren. Veel jongens zijn daar jaloers op, vooral omdat Dennis de leukste meiden van de school kan krijgen. Dennis valt altijd op, maar dit komt niet alleen door zijn mooie kleren. Hij draagt namelijk altijd, maar dan ook altijd een baseballpet! Hoeveel hij er precies heeft, weet niemand. Maar dat het er veel zijn, is zeker. Niet alle leraren vinden het leuk dat Dennis een pet draagt. Sommigen kan het weinig schelen, maar andere leraren vinden dat ze Dennis niet goed kunnen zien als hij zo’n pet op heeft.
Hetzelfde geldt eigenlijk voor Faranak. Zij draagt geen pet, maar een niqaab. Deze niqaab bedekt haar hoofd en een groot deel van haar gezicht. Bij Faranak durven docenten er alleen niet zo goed wat van te zeggen. Ook bij haar vinden zij het lastig dat ze haar slecht kunnen aankijken, maar ze zijn bang dat Faranak zich gekwetst voelt als zij haar niqaab af zou moeten doen. Faranak draagt de hoofddoek niet zomaar omdat ze dat leuk vindt, of omdat het in de mode is, zoals Dennis. Ze doet het echt vanuit haar geloof!
Je begrijpt dat dit voor docenten best lastig kan zijn. Aan de ene kant willen ze iedereen op school de ruimte geven om zichzelf te zijn, maar aan de andere kant is het in Nederland niet fatsoenlijk als mensen elkaar niet goed kunnen aankijken. In 2003 heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de ‘Leidraad kleding op school’ opgesteld. Hierin is duidelijk te lezen wat een school wel en niet mag verbieden op het gebied van kleding.
Scholen mogen baseballpetjes en bomberjacks zonder veel problemen verbieden. Meestal gebeurt dat omdat leraren en leraressen vinden dat het de onderlinge communicatie belemmert.
Het verbieden van hoofddoekjes en niqaabs (waarbij het gezicht grotendeels wordt bedekt), kan niet zomaar. Deze kledingstukken worden namelijk gedragen vanwege een geloof. En op de vrijheid van godsdienst mag niet zomaar inbreuk worden gemaakt. In de Leidraad kleding op school staat dat een openbare school geen hoofddoekjes mag verbieden, maar een bijzondere school wel. Een bijzondere school is een school met een bepaalde godsdienstige overtuiging, bijvoorbeeld een protestants-christelijke of katholieke school. Een bijzondere school mag de hoofddoek verbieden als dit in strijd is met de religieuze identiteit, de godsdienstige overtuiging van die school.
Een openbare school (een school zonder godsdienstige achtergrond) mag hoofddoekjes niet verbieden. Een enkele keer mag het wel, namelijk als het verbod ‘objectief gerechtvaardigd’ is. Een verbod is bijvoorbeeld objectief gerechtvaardigd als het dragen van een hoofddoek gevaarlijk is, bijvoorbeeld bij bepaalde gymoefeningen.
Bij een niqaab gaat de regel veel verder. Alle scholen, ook openbare scholen, mogen de niqaab verbieden vanwege communicatieproblemen. Dit heeft de Commissie Gelijke Behandeling bepaald. Je kunt je voorstellen dat het lastig is om met leerlingen te spreken die een niqaab dragen. Vaak kun je ze niet goed herkennen. Ook is de uitdrukking van hun gezicht niet goed te zien, wanneer er met hen gesproken wordt. Het verbieden van de niqaab mag dan ook als een school dit doet om de communicatie te verbeteren. In Nederland vinden de meeste mensen het namelijk belangrijk dat ze de persoon met wie ze praten goed kunnen zien.
Bericht op Teletekst vanmorgen:
Minister Verdonk vindt dat het dragen van een burka in de openbare ruimte zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Ze loopt daarmee vooruit op een advies dat een commissie van 7 wijzen begin november aan het kabinet uitbrengt. Verdonk noemt het gezichtsbedekkende kledingstuk een symbool van tweedeling, dat niet past bij de emancipatie van de vrouw en de integratie van moslims. Het kabinet zal zo snel mogelijk na het inwinnen van het advies een standpunt over de kwestie innemen. De commissie, waarin een arabist en een imam zitten, bekijkt of het juridisch mogelijk is om het dragen van een burka te verbieden.
De "publieke ruimte", omvat natuurlijk ook de basisschool. Het is de moeite waard om te onderzoeken welke regels op dit moment gelden en hoe de scholen voor bijzonder onderwijs daarmee omgaan. Mag een school nu al het dragen van een burka verbieden? En hoe zit het eigenlijk met de regels voor het dragen van een hoofddoek? Werk aan de winkel!
Beste Frans de Haas, Freek Oosterom en Mirjam de Haas,
Dank voor de gezonden e-mail.
Artikel 23/schoolsegregatie
SP heeft met PvdA, D66 en GL een initiatiefwetsvoorstel ingediend dat voor alle scholen acceptatieplicht regelt, als de ouders de grondslag van de school respecteren.
Verder is SP voorstander van:
Standpunt: het afschaffen van artikel 23 is op dit moment geen haalbare zaak. Wij zijn voor een acceptatieplicht van alle scholen.
Artikel 23
SP wil: Acceptatieplicht en vervangen godsdienstles door lessen levensbeschouwing: kennis van en respect voor elkaars levensbeschouwingen. Geen godsdienstbeoefening.
SP is voor afschaffen artikel 23 en moratorium op bekostiging orthodoxe scholen.
Vriendelijke groet
Ingrid Gyömörei
Medewerker SP Tweede Kamerfractie
Onderwijs en integratie
InleidingHet verbod op discriminatie geldt zowel voor het beleid van de school bij de selectie van personeel en de toelating en deelname van leerlingen als voor de omgang met elkaar binnen de school. Daarnaast zal bij het maken en hanteren van kledingvoorschriften rekening gehouden moeten worden met het discriminatieverbod.
De Algemene Wet Gelijke BehandelingDe Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB)
StrafrechtBehalve in de Algemene Wet Gelijke Behandeling zijn er ook in het Wetboek van Strafrecht een aantal bepalingen opgenomen die discriminatie verbieden. Zo worden onder meer als misdrijf strafbaar gesteld:
Toelating en deelname leerlingenOok voor leerlingen geldt dat het bijzonder onderwijs onder bepaalde omstandigheden eisen mag stellen bij toelating en deelname. Ook hier geldt dat aangetoond moet worden dat dit van belang is voor de verwezenlijking van de religieuze grondslag van de instelling. Hierbij mogen scholen leerlingen alleen weigeren als er op een redelijke afstand van de leerling gelijksoortig openbaar onderwijs is. Daarnaast gelden de onder ‘Selectie van personeel’ genoemde voorwaarden.
KledingvoorschriftenScholen mogen regels stellen ten aanzien van kleding, mits deze niet discriminerend zijn. In het algemeen mag een hoofddoek niet verboden worden omdat dit in strijd is met de vrijheid van godsdienst. Ook hier geldt echter dat onder bepaalde voorwaarden het bijzonder onderwijs kledingeisen mag stellen die van belang zijn voor de verwezenlijking van de religieuze grondslag van de instelling; kleding die geassocieerd kan worden met een andere levensovertuiging kan dan verboden worden. Ook hier zijn er echter de hierboven genoemde voorwaarden vereist. Een school die leerlingen met een andere levensovertuiging eenmaal toegelaten heeft kan uitingen van andere levensovertuigingen vervolgens niet verbieden.
Tegengaan van segregatie in het onderwijsHet toelatingsbeleid van scholen komt regelmatig ter sprake bij beleid gericht op het tegengaan van segregatie. Zo zijn er beleidsvoorstellen waarin gesproken wordt van aparte wachtlijsten, quota of spreidingsbeleid om de verdeling van allochtone en autochtone leerlingen over de verschillende scholen te beïnvloeden.Voorstellen waarin direct onderscheid gemaakt wordt tussen allochtone en autochtone leerlingen zijn in strijd met de Algemene Wet Gelijke Behandeling en de vrijheid van onderwijs. Ouders hebben de vrijheid om hun kind te laten plaatsen op de school van hun keuze.
Geachte heer De Haas, heer Oosterom en mevrouw De Haas
Hartelijk dank voor uw mail. Het CDA hecht veel waarde aan artikel 23 Grondwet, de vrijheid van onderwijs. Hieronder een toelichting op dat standpunt.
De vrijheden die in de Grondwet staan beschreven, zijn verworvenheden van onze samenleving. De vrijheid van onderwijs betekent dat ouders het recht hebben een school te kiezen voor hun kind die het best aansluit bij de eigen waarden en normen. Mocht de school die zij graag zouden willen nog niet bestaan, dan hebben ouders het recht een school op te richten. De vrijheid voor ouders en kinderen om een school te kiezen die bij hen persoonlijk past, is dus groot.
Bijzondere scholen moeten, net als openbare scholen, voldoen aan het wettelijke curriculum en zich houden aan de wetten die in Nederland gelden. Ze mogen dus niet oproepen tot segregatie en discriminatie van andere groepen en minderheden in onze samenleving. De onderwijsinspectie ziet hierop toe. Als scholen hier niet aan voldoen, bijvoorbeeld als ze oproepen tot haat, dan moeten ze worden gesloten.
Elke ouder kan kiezen voor een school die aansluit op de opvoeding, de geloofsovertuiging en het waarden- en normenpatroon van thuis.
Identiteitsgebonden onderwijsinstellingen geven ons onderwijsstelsel een belangrijke meerwaarde. De veelkleurigheid van onze samenleving wordt hierin weerspiegeld. Ook draagt vrijheid van onderwijs bij aan de emancipatie en integratie van de verschillende groepen in onze samenleving. In de praktijk blijkt ook dat bijzonder onderwijs voorziet in een grote behoefte. Bijna tweederde van de kinderen in het primair onderwijs gaat naar het bijzonder onderwijs.
De scholen leggen verantwoording af over het beleid in over de identiteit van de school in een lesplan. Bijzonder onderwijs levert de samenleving veel op: betrokkenheid van ouders bij de school, vele vrijwillige schoolbestuurders die veel tijd en energie steken in 'hun'
school en een actieve groep scholen waar mensen hard werken vanuit een gedeeld waardenpatroon.
Het bijzonder onderwijs moet heel duidelijk zijn over de voorwaarden die gesteld worden aan toelating van leerlingen. Deze voorwaarden mogen alleen identiteitsgebonden zijn en bijvoorbeeld niet van financikle aard. Deze eisen moeten voor iedereen vooraf duidelijk zijn.
Het gaat hierbij bijvoorbeeld over de vraag of ouders de grondslag moeten onderschrijven of respecteren. De keuzes die het bevoegd gezag van de school maakt moeten consistent en consequent worden uitgevoerd en toegepast. Bovendien hebben ouders van leerlingen die zijn toegelaten recht op een plaats in de medezeggenschapsorganen.
Het CDA vindt het belangrijk dat de school waarden uit de eigen levensovertuiging overdraagt. Maar de scholen moeten (net als andere maatschappelijke instellingen met een publieke taak) ook bijdragen aan de overdracht van de kernwaarden van onze Nederlandse rechtsstaat, zodat leerlingen hun verantwoordelijkheid in onze maatschappij waar kunnen maken.
Met vriendelijke groet,
CDA Tweede Kamerfractie
Publieksvoorlichting
Postbus 30805 2500 GV 's-Gravenhage t 070 - 318 25 03 f 070 - 318 26 02 cda.publieksvoorlichting@tweedekamer.nl
Eerder al schreef ik over de standpunten van de politieke partijen m.b.t. de financiering van het openbaar onderwijs op basis van Artikel 23 van de Grondwet. PvdA, CDA en VVD houden zich in het verkiezingsprogramma op de vlakte.
Ik stel voor dat we de partijen om een standpunt vragen. Ik wil dat doen aan de genoemde drie partijen, en ook aan Groen-Links, ChristenUnie en de SP. De andere partijen zijn te klein/versnipperd/marginaal om in deze kwestie enig gewicht in de schaal te doen.
Onze vraag is de volgende:
Goed onderwijs is van cruciaal belang voor de toekomst van onze samenleving. Ieder kind heeft recht op goed onderwijs. Het is een taak van de overheid om te zorgen dat ieder kind goed onderwijs volgt.
Daarbij behoort dat de overheid ook verantwoordelijk is voor de financiering van het onderwijs. Hoe we dat in Nederland hebben afgesproken met elkaar staat in Artikel 23 van de Grondwet. Op basis hiervan wordt onder andere het onderwijs op confessionele grondslag, maar ook andere vormen van bijzonder onderwijs net zo behandeld en gefinancierd als het openbare onderwijs.
Onze vraag is: wat is het standpunt van uw partij ten aanzien van dit artikel? Beschouwt uw partij dit als een verworvenheid die we moeten koesteren, of bent u van mening dat dit nu of op termijn moet veranderen?
In het verkiezingsprogramma van uw partij vonden wij hierover geen expliciet standpunt. Gelet op het grote maatschappelijke belang van goed onderwijs willen wij uw standpunt graag meewegen bij het uitbrengen van onze stem op 22 november. Graag zouden we van u vernemen hoe uw partij hierover denkt.
Met vriendelijke groet,
Deze e-mail heb ik woensdagmiddag 12:30 uur verstuurd.
Laten we de standpunten van de politieke partijen er eens op nazoeken.
Partij van de Arbeid
Woordvoerder van de PvdA in de Tweede Kamer is Mariëtte Hamer (wie kent haar niet?). Op de website van de Partij staat een uitgebreid verhaal over onderwijsbeleid. Geen woord over "bijzonder onderwijs". Maar onderhuids sluimert er toch wel wat. "De overheid blijft eindverantwoordelijk en garandeert de kwaliteit en toegankelijkheid van alle onderwijs." Dat is een indirecte aanval op de besturen van scholen voor bijzonder onderwijs die van (de ouders) leerlingen eisen dat die de grondslagen van de school onderschrijven. Maar dan, onder de hoofdjes "Acceptatieplicht" en "Verplicht in de wijk naar school", komt het er uit. We hebben als maatschappij een probleem met witte en zwarte scholen, en dat probleem moet opgelost worden. De PvdA denkt dat dat kan met behoud van het huidige Artikel 23 van de Grondwet.
CDA
Namens het CDA verwoordt Jan de Vries het CDA-standpunt t.a.v. onderwijs. Staat helemaal niets in over het bijzondere onderwijs. Dat verbaast me niets: de huidige regeling is één van de confessionele kroonjuwelen. Wordt gekoesterd in die kringen.
VVD
Erik Balemans is de woordvoerder namens de VVD in de Tweede Kamer. Ik heb van hem geen uitspraken of standpunten m.b.t. het bijzonder onderwijs kunnen vinden. Het verkiezingsprogramma van de VVD rept er ook met geen woord over. De discussie over art 23 van de Grondwet speelt wel binnen de VVD. Op het internet vond ik veel liberale pleidooien voor afschaffing.
Bijzonder Onderwijs
Onderwijs dat wordt gegeven op scholen die door een vereniging of stichting worden bestuurd. Gaat uit van een bepaalde godsdienst of levensovertuiging en/of een bepaalde opvoedings- of onderwijsmethode.
Het gaat dus niet over scholen die extra aan sport of muziek of zo doen. Het "bijzondere" zit 'm niet in de lessen, maar in de organisatievorm. Een school voor bijzonder onderwijs wordt bestuurd door een vereniging (soms) of een stichting (meestal). Openbaar onderwijs wordt bestuurd door de Gemeente.
Financiering en organisatie
De Nederlandse overheid subsidieert het onderwijs, maar richt het niet in. Dat doen bijvoorbeeld wel de gemeenten, en ook privé-instanties kunnen onderwijs organiseren. Dit betekent dat Nederland zowel openbare scholen als bijzondere scholen kent.
Openbare scholen werken niet vanuit een bepaalde godsdienst of levensovertuiging. Dit houdt in dat ze open staan voor kinderen van gelijk welke godsdienst of levensovertuiging. De openbare school wordt meestal bestuurd door het gemeentebestuur. Een derde van alle Nederlandse leerlingen gaan naar een openbare school.
Bijzondere scholen werken vanuit een bepaalde godsdienst of levensovertuiging: rooms-katholiek, protestants-christelijk, joods, islamitisch, hindoeïstisch, humanistisch of vrij. Vrije scholen combineren een bepaalde mensvisie met een bepaalde opvoedingsmethode. Zogenaamd algemene bijzondere scholen zijn neutraal. Ze gaan dus niet uit van een speciale levensbeschouwing. Een voorbeeld daarvan zijn de Nutsscholen.
Ten slotte zijn er scholen die hun onderwijs organiseren vanuit een specifieke opvoedings- en/of onderwijsmethode: Montessori, Freinet, Jenaplan, Dalton. Dat kunnen zowel bijzondere als openbare scholen zijn. Tweederde van alle Nederlandse leerlingen zitten in een bijzondere school.
Ik trof een goed artikel aan van Hans den Boef, verbonden aan het Instituut voor Media en Informatie Management.
Burgers hebben de vrijheid hun kinderen te laten onderwijzen in een ideologie die een gruwel is in de ogen van de meeste andere burgers. Maar het ligt voor de hand dat die andere burgers dit onderwijs dan ook niet financieren.
Het gebouw van onze samenleving wordt al heel lang niet meer door zuilen gedragen. Daardoor kan een nieuwe zuil nooit meer de rol van drager vervullen, slechts die van ornament of in het ongunstigste geval, van obstakel.
Islamieten en anderen pleiten soms voor een moslimzuil als middel tot integratie in de Nederlandse samenleving en als directe consequentie daarvan voor islamitische scholen omdat bijzonder onderwijs immers de kern van de verzuilde samenleving vormde. Interessant is daarom het recente nieuws over de fundamentalistische propaganda die volgens de BVD eenderde van de moslimscholen in Nederland zou verspreiden. Want deze berichten vestigen zowel de aandacht op het obstakel dat een nieuwe zuil voor integratie vormt als op het definitieve echec van bijzonder onderwijs in een seculiere samenleving.
De politiek subsidieert het onderwijs en wil derhalve geen fundamentalistische propaganda toestaan die de integratie van moslimkinderen blokkeert. Maar met de huidige wetten lukt dat niet echt. Want als de kwaliteit van het onderwijs voldoende is, moet de inspectie, c.q. de overheid een bijzondere school met rust laten. Ook al zal de inspectie nu het godsdienstonderwijs op islamitische scholen in de gaten houden, het schoolbestuur en geen andere instantie bepaalt welke religieuze opvattingen (en opvattingen over integratie) worden verspreid. Zo staat het in Artikel 23 van de Grondwet.
De fermheid van politici doet niet alleen daarom onwaarachtig aan. Geluiden als die van de BVD horen we de laatste jaren wel vaker. Wie luistert naar de onderwijsvakbonden, krijgt bovendien niet de indruk dat al die andere (tweederde) moslimscholen enthousiaste broedplaatsen van moderne multiculturele burgerzin vormen.
Het behoort tot de vrijheid van burgers dat zij hun kinderen kunnen laten onderwijzen in een ideologie die een gruwel is in de ogen van de meeste andere burgers. Maar het ligt voor de hand dat die andere burgers dit onderwijs dan ook niet financieren. Ik stel daarom voor dat een volgend kabinet eindelijk de tekst van Artikel 23, leden 5-7, van de Grondwet wijzigt, in die zin dat de overheid de financiering van het bijzonder onderwijs beeïndigt. Gezien de verwachte samenstelling van de Tweede Kamer is voor zo'n grondwetswijziging een voldoende meerderheid beschikbaar.
Wat vrezen politici? Zij weten als geen ander dat het bijzonder onderwijs zijn functie al heel lang heeft verloren. De afgelopen decennia heeft het zijn bevoorrechte positie tegenover het openbaar onderwijs letterlijk met kunst en vliegwerk weten te handhaven. Hoeveel kwijnende openbare basisscholen die onder de norm van het minimumaantal leerlingen kwamen, zijn niet gesloten ten bate van de evenzeer kwijnende christelijke of katholieke school om de hoek? Die kon het met hulp van verwante organisaties net zo lang uitzingen tot het gemeentebestuur het vonnis velde over de openbare concurrent en het volgende schooljaar de aanmeldingen weer binnenstroomden. Wie herinnert zich niet de moeite die ouders in steden als Maastricht moesten doen om er een paar openbare scholen bij te krijgen? Openbaar onderwijs hoorde niet bij de Maastreechter cultuur, meenden de katholieke bestuurders.
Natuurlijk bestaan er tegenwoordig nog kleine, lokale haarden van principieel christendom op het platteland, maar daarbuiten kiezen ouders veel vaker op heel andere dan religieuze gronden voor bijzonder onderwijs. Omdat de school een goede naam heeft, omdat die wit is of in de buurt staat.
Het bijzonder onderwijs is een rudiment uit de tijd van de verzuiling. De tijd dat je zuil een geheel verzorgd pakket aanbood. Van krant, bakker, huisarts, apotheker, autorijschool, omroep, de mensen met wie je sportte of muziek maakte tot onderwijs. En mocht je per ongeluk eens een hoed kopen bij een middenstander van een andere zuil, dan kwam er altijd wel een ouderling of pastoor op bezoek om je te vermanen.
Ondanks het feit dat die verzuiling letterlijk is uitgestorven, durfde de afgelopen jaren geen enkele politieke partij voor te stellen een einde aan het bijzonder onderwijs te maken. Bang voor een nieuwe schoolstrijd en om pragmatische of politiek correcte redenen niet bereid om de nieuwe ambitie van moslimscholen te dwarsbomen?
Maar niemand wordt er toch slechter van als artikel 23 van de Grondwet wordt afgeschaft? Als ouders willen dat hun kinderen religieus worden onderricht, kan dat mooi in de vrije tijd. Zondagscholen, koranscholen, bijbelstudieclubs. Zonder pottenkijkers van de inspectie. Fundamentalisten of orthodoxen die wel een school willen die van maandag tot vrijdag doordrenkt is met de ware religie en van vreemde smetten vrij, betalen die zelf, zonodig met steun van rijke Saoedi's. De gebroeders Baan hadden in hun gloriedagen alle reformatorische scholen tot ver buiten de Veluwe kunnen betalen.
En als zo'n bijzondere school een mooi maatschappelijk project heeft, kan zij gerust om subsidie aankloppen bij de overheid. Want die is neutraal, het maakt voor haar immers geen verschil of het zwerfvuil in een parkje wordt verwijderd door jeugdige vrijwilligers die op een openbare school zitten dan wel een met den bijbel of den koran.
En zo is het maar net!
1. Waarom werd in de schoolwet van 1857 bepaald dat de overheid nog steeds alleen het openbaar onderwijs zou betalen?
De schoolwet van 1857 veranderde niets aan de betaling van het onderwijs: de overheid betaalde wel het openbaar onderwijs, maar nog steeds niet het bijzonder onderwijs. De liberale meerderheid in het parlement wilde een godsdienstig sterk verdeelde natie niet nog meer verdelen door confessionele scholen te subsidiëren. De liberalen wilden juist door openbaar onderwijs de verschillende godsdienstige gezindten nader tot elkaar brengen. Kinderen met verschillende godsdiensten bij elkaar in de klas vonden zij beter dan kinderen verdeeld over scholen naar hun godsdienst.
2. Wat hield de schoolstrijd in?
De ‘schoolstrijd' was in het algemeen de strijd van orthodox-protestanten en katholieken voor bijzonder onderwijs en tegen het openbaar onderwijs. De strijd ging er in het bijzonder om of de overheid ook het bijzonder onderwijs zou betalen. De liberalen waren, als voorstanders van openbaar onderwijs, de voornaamste tegenstanders van de orthodox-protestanten en katholieken.
3. De schoolwet van 1878 maakte het voor het bijzonder onderwijs nog moeilijker. Waardoor kwam dat?
Ook de confessionele scholen moesten voldoen aan de eisen van de wet. Daardoor werden de kosten veel hoger en confessionele scholen moesten dat zelf betalen .
4. Met welk argument bepleitten de orthodox-protestanten en katholieken dat de overheid ook het bijzonder onderwijs moest bekostigen?
De orthodox-protestanten en katholieken argumenteerden dat het belastinggeld waarmee het openbaar onderwijs gefinancierd werd, ook door confessionele groepen werd opgebracht. Ze moesten dus meebetalen aan het openbaar onderwijs, maar kregen van hun belastinggeld niets terug voor hun eigen scholen.
5. a. Waardoor kon er in 1889 een wetswijziging ten gunste van het bijzonder onderwijs komen?
In 1887 werd het kiesrecht uitgebreid. Daardoor kregen de confessionelen in 1888 voor het eerst een meerderheid in de Tweede Kamer. Het eerste confessionele kabinet kwam tot stand. Dit kabinet wijzigde in 1889 de schoolwet van 1878 ten gunste van het bijzonder onderwijs.
b. Wat hield die wetswijziging in?
Gedeeltelijke financiering (30%) van het bijzonder onderwijs werd onder bepaalde voorwaarden mogelijk.
6. Welk gevolg had het ontstaan van confessioneel onderwijs voor het karakter van de openbare scholen?
Het ontstaan van het confessionele onderwijs leidde ertoe dat openbare scholen hun vrijzinnig-protestantse karakter langzamerhand wat verloren. Ze werden meer neutraal en minder godsdienstig van karakter.
7. a. Welke ongelijkheid tussen confessioneel en openbaar onderwijs bleef nog bestaan?
b. Welk advies gaven gereformeerde Kerken en Nederlandse bisschoppen als er geen confessionele school in de buurt was?
Als er geen confessionele school was, gaven gereformeerde Kerken en Nederlandse bisschoppen ouders het advies hun kinderen dan maar helemaal niet naar school te sturen.
8 a. Welke kwesties werden uiteindelijk geregeld in een ‘historisch compromis'?
De kwestie van het kiesrecht en de kwestie van de overheidsfinanciering van het bijzonder onderwijs werden uiteindelijk in 1917 geregeld in een ‘historisch compromis'.
b. Wat hield dat ‘historisch compromis' in?
Liberalen en sociaal-democraten wilden algemeen kiesrecht invoeren. Maar daarvoor was een grondwetswijziging nodig en dus een tweederde meerderheid in de Kamer. De orthodox-protestantse en katholieke Kamerleden waren tegen algemeen kiesrecht. Maar ze waren bereid om liberalen en sociaal-democraten aan deze meerderheid te helpen, mits de liberalen en sociaal-democraten vóór de financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs zouden stemmen. De partijen kwamen tot overeenstemming en sloten een compromis. Ze gaven iets toe en kregen er iets voor terug.
c. Hoe werden de twee kwesties wettelijk geregeld?
In de grondwetsherziening van 1917 werden de kwesties als volgt geregeld:
9. Welk gevolg had de onderwijspacificatie?
Door de onderwijspacificatie nam het bijzonder onderwijs sterk toe.
Onderwijspolitiek
Een van de grote taboes in de huidige Nederlandse politiek is de buitengewoon bevoorrechte positie van het bijzonder onderwijs. Dat is wellicht een nog groter taboe dan de hypotheekrenteaftrek en de premieheffing voor AOW'ers. En dat terwijl dat bijzonder onderwijs mijns inziens een grote sta-in-de-weg vormt voor sociale integratie. De bijzondere scholen in Nederland houden het bestaande verzuilde systeem in stand. Het systeem van financiering van scholen voor bijzonder onderwijs uit de algemene middelen bestaat nu bijna 100 jaar en het wordt eens tijd dat we daar afscheid van nemen. Het heeft zijn diensten bewezen, met name voor de emancipatie van het rooms-katholieke volksdeel tijdens de eerste helft van de 20e eeuw, maar tegenwoordig blijkt het een achterhaald, contra-productief sociaal concept.
Cultuurverschillen overbruggen
We wonen hier met z'n allen. We ontmoeten dagelijks verschillende mensen. Mensen met soms dezelfde en soms met andere gewoonten. Of met een andere culturele achtergrond. Met eigen waarden en normen. Mensen die een (ander) geloof hebben. We behandelen elkaar met respect. We werken samen. We zitten op dezelfde club. We komen elkaar tegen in de winkel. Kortom, we leven samen. Dat is toch vanzelfsprekend, al die overeenkomsten en verschillen tussen mensen.
Openbaar Onderwijs
Openbaar onderwijs gaat uit van verschillen tussen mensen. En doet daar iets mee. Door samen met de leerlingen die verschillen aan de orde te stellen. Daardoor krijgen zij de kans zich een mening te vormen over opvattingen en gewoonten van anderen. Over medeleerlingen met een andere achtergrond dan zijzelf. Openbaar onderwijs is ontmoetingsonderwijs: kinderen leren er met, van en over elkaar. Met respect voor de ander. Als voorbereiding op hun latere deelname aan de samenleving. Waarin zij zich zelf moeten kunnen redden. Met en tussen andere mensen. Net als wij.
Stelling
De financiering van het "Bijzonder Onderwijs" uit de algemene middelen is een grote belemmering voor integratie van nieuwkomers uit andere landen en hun kinderen in onze samenleving.
Begrijp me goed, ik wil niemand verbieden om vanuit de eigen cultuur of geloof of overtuiging of wat dan ook onderwijs te organiseren. Wie dat graag wil, gaat zijn of haar gang maar, veel succes. Maar ik vind alleen dat dit niet uit de algemene middelen bekostigd hoeft te worden. Wie zelf onderwijs wil organiseren, moet het ook zelf maar betalen.