30 maart 2007

29 maart 2007

17 februari 2007

Het regeerakkoord

Scholen hebben een belangrijke vormende taak. Goed onderwijs legt de basis voor volwaardige participatie aan de maatschappij door het overbrengen van kennis, vaardigheden, waarden en normen.

Het moet jongeren aansporen het beste uit zichzelf te halen. Vandaar dat scholen een omvang op een menselijke maat moeten hebben waarin geborgenheid aan en betrokkenheid bij leerlingen kan worden geboden. Fusies en de vorming van steeds grotere scholen worden daarom afgeremd. Binnen de specifieke eigen situatie van een school weten leraren, ouders en leerlingen samen doorgaans het beste hoe de school en de opleiding moeten worden ingericht om goed te functioneren. Zij moeten daar de ruimte en het vertrouwen voor krijgen. Werken in het onderwijs moet weer aantrekkelijk worden. Lesgeven en de professionaliteit van de docent moeten centraal staan. Zonder een nieuwe verandering van het onderwijsstelsel in gang te zetten, wordt binnen de bestaande structuren zoveel mogelijk ruimte geschapen voor eigen keuzen ten aanzien van de onderwijskundige aanpak en gewenste klassenomvang. Daarbij wordt meer ruimte gegeven voor een eigen invulling van het Studiehuis, van de inrichting van de basisvorming en van de klassenverkleining. Ook financiële bevoegdheden zullen zo veel mogelijk worden neergelegd bij scholen. Administratieve lasten die op de scholen drukken zullen kritisch op nut en noodzaak worden bekeken. Binnen de grenzen die de grondwet ter zake stelt wordt openbaar onderwijs bestuurlijk zoveel mogelijk verzelfstandigd. De tweede lezing van de grondwetswijziging ter regeling van de samenwerkingsschool zal, voorzien van een wetsontwerp, bij de Tweede Kamer worden ingediend. Het ontstaan van samenwerkingsscholen kan nodig zijn als het aantal leerlingen te klein wordt, maar zal niet worden gestimuleerd.

Met het oog op het bevorderen van cohesie en integratie in de maatschappij wordt in het voortgezet onderwijs aandacht besteed aan maatschappelijke oriëntatie, waarbij de verschillende levensbeschouwingen aan de orde komen.

De overheid is primair verantwoordelijk voor het vaststellen van de kaders waarbinnen scholen hun eigen invulling mogen geven. Zij stelt de eindtermen en het kerncurriculum per schooltype vast en garandeert onafhankelijk kwaliteitstoezicht. Als er meer variatie ontstaat in de onderwijskundige aanpak van scholen moeten ouders en leerlingen objectief inzicht kunnen hebben in de kwaliteit van een school. De overheid zal haar verantwoordelijkheid hiervoor onder andere vormgeven door de introductie van een verplichte begintoets [Noot: Het betreft geen toelatingstoets, maar een niveaubepaling.] voor het primair onderwijs. In combinatie met een eindtoets kunnen zo de vorderingen van individuele leerlingen en daarmee (ten dele) de toegevoegde waarde van de school worden gemeten. De toets kan tevens dienen om eventuele taalachterstand van een leerling te meten en daarmee individuele leertrajecten te bepalen. In lijn met het advies van de Onderwijsraad, kan de toets worden benut bij de verdeling van middelen (wijziging gewichtenregeling).

Prioriteit moet worden gegeven aan het leren van Nederlands, daarom wordt de regeling Onderwijs in Allochtone Levende Talen afgeschaft.

De invoering van het Bachelor/Mastersysteem in het hoger onderwijs wordt doorgezet. Selectie en differentiatie van collegegelden worden alleen mogelijk in geval van specifieke opleidingen met een erkende evidente meerwaarde.

Knelpunten aanpakken

Het kabinet zal de inspanningen moeten voortzetten om het beroep van leraar aantrekkelijker te maken. Onderdeel daarvan kan zijn dat binnen de arbeidsvoorwaardenregeling ruimte wordt geschapen om extra beloning mogelijk te maken voor leraren met achterstandsgroepen en voor bijzondere prestaties. Ook zal moeten worden bezien hoe uitval van oudere werknemers uit het onderwijs kan worden teruggedrongen.

Het VMBO vergt speciale aandacht. Het VMBO is de grootste leerroute in het voortgezet onderwijs en het is de basis van de beroepsonderwijskolom (VMBO, MBO, HBO) die gekwalificeerde vakmensen levert. Het beroepsonderwijs speelt een belangrijke rol bij de integratie van allochtone jongeren. De te hoge uitval en onvoldoende doorstroom naar vervolgopleidingen moeten worden gestopt.

Beschikbare budgettaire ruimte

De geschetste aanpak kan goeddeels worden gerealiseerd binnen de ruimte die voor onderwijs en wetenschappen in de meerjarenramingen is opgenomen. Minder centrale sturing en administratieve lasten maken het mogelijk dat scholen meer doen met de huidige budgetten. Daarbovenop zal voor het plaatsen van gerichte beleidsaccenten een bedrag oplopend naar 340 mln euro in 2006 aan het budget van OC&W worden toegevoegd. Daarnaast zal voor het opvangen van bestaande tegenvallers 160 mln. euro in 2006 ter beschikking worden gesteld.

14 november 2006

standpunt GroenLinks - toelichting

Geachte heer/mevrouw,

Hartelijk dank voor uw e-mail van 18 oktober 2006 die wij in goede orde hebben ontvangen. Wij zijn blij dat u de moeite heeft genomen om onze fractie te schrijven. Voor GroenLinks zijn vragen en opmerkingen uit de samenleving heel belangrijk.

Particulieren hebben in Nederland de vrijheid om eigen scholen te stichten en die naar eigen inzicht vorm te geven (artikel 23 Grondwet). Daarin is ook vastgelegd dat de overheid verantwoordelijk is voor het onderwijs en dat het onderwijs onderworpen is aan de Onderwijsinspectie.

GroenLinks heeft geen principiële bezwaren tegen de vrijheid van onderwijs. Wij vinden het zelfs heel vrijzinnig. Er bestaat een grote variëteit aan scholen. Iedereen kan een school kiezen die bij hem of haar past. En als je die niet kunt vinden, mag je een school oprichten.

GL heeft soms wel problemen met de uitwerking van artikel 23. Onder de huidige condities mogen openbare scholen niet fuseren met bijzondere scholen. Bijzondere scholen mogen hun leerlingen weigeren op grond van hun geloof, terwijl openbare scholen verplicht zijn om iedereen op te nemen. En christelijke scholen kunnen ook homoseksuele leraren (en leerlingen) weigeren. Wij vinden dat uitwassen van artikel 23. Het is prima dat bijzondere scholen bestaan. Dat mogen ook orthodoxe scholen zijn. Maar ze moeten wel aan dezelfde eisen voldoen als openbare scholen.

Ik hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Jesse Klaver
Publieksdienst
Tweede-Kamerfractie GroenLinks

13 november 2006

standpunt VVD - toelichting

Geachte heer de Haas,

Hartelijk dank voor uw mail aan de VVD-Tweede Kamerfractie. Ons streven is om ieder e-mailbericht afzonderlijk te beantwoorden, maar door de drukte rondom de verkiezingscampagne en de enorme hoeveelheid vragen die wij ontvangen, lukt dat helaas niet altijd. Onze welgemeende excuses hiervoor. Alle berichten worden uiteraard wel gelezen. Opmerkingen over de campagne (zowel kritiek als steunbetuigingen) worden doorgegeven aan het campagneteam.

Hieronder vindt u een tekst waarin wordt vermeld waar de VVD voor staat en welke plannen we hebben voor de toekomst van Nederland. Mocht u het antwoord op uw vraag hier niet in vinden en wilt u alsnog een persoonlijk antwoord op uw vraag ontvangen, dan vragen wij u vriendelijk uw vraag ná 22 november nogmaals te sturen naar vvdvoorlichting@tweedekamer.nl. Wij hopen op uw begrip voor deze situatie.

Nederland heeft de VVD keihard nodig

Hoewel niemand het wil, dreigt het gevaar van een coalitie van CDA en PvdA. Een half-linkse coalitie. De enige partij die deze half-linkse coalitie kan tegenhouden, is de VVD. Het CDA en de PvdA denken dat Nederland al klaar is. Dat we lekker kunnen voortkabbelen en op ons gemakje de snel veranderende wereld kunnen bijhouden. De VVD helpt ze uit de droom.
De VVD heeft Nederland op orde gebracht. Het zorgstelsel is gemoderniseerd. Het aantal uitkeringen is teruggebracht. De financiën zijn weer op orde. Ook de dramatische gevolgen van de oude immigratiepolitiek hebben we nu eindelijk onder controle. Maar het land is nog niet af!

VVD-lijsttrekker Mark Rutte: “De VVD is als enige partij bereid fundamentele keuzes te maken en de consequenties daarvan te dragen. Te weinig politici durven te zeggen wat nodig is. Ze zijn bang voor de kiezers. Bang afgestraft te worden. Soms denk ik, deze politici zijn bang voor de toekomst. Ze verlangen terug naar een verleden dat niet meer bestaat. Vanwaar die angst voor morgen? De toekomst is geen gevaar. In de toekomst ligt ons leven en dat van onze kinderen.”

Het VVD-plan voor de toekomst van Nederland is doorgerekend door het Centraal Planbureau. Van de grote partijen schept de VVD: de meeste economische groei, de meeste banen en de meeste inkomensverbetering; meer dan CDA en PvdA!! Het zijn de mensen die de toekomst met zelfvertrouwen tegemoet moeten kunnen treden. Ook juist die mensen die op dit moment buitenspel staan in onze samenleving. Wij hebben in Nederland te veel vrouwen, allochtonen en jongeren die wel willen werken maar niet aan de slag komen. Daar moeten we wat aan doen. Het gaat de VVD om de mensen, want alleen als de mensen groeien, groeit het land.

De VVD wil de komende vier jaar:

  1. Een verdubbeling van het aantal startende ondernemers. Dus elk jaar 50.000 extra starters.
  2. Ten minste een halvering van de schooluitval. Dus elk jaar 25.000 jongeren extra mét een diploma van school.
  3. En ten minste één derde van alle mensen in de bijstand of de WW aan een baan helpen. Dat betekent in vier jaar 200.000 mensen die gaan van een uitkering naar een baan. Dàt is sociaal beleid!

Iedereen doet mee. Wij gaan niet uit van zwakte, maar van kracht. Dat is pas sociaal. Dus:

  • Een belastingverlaging voor iedereen. Het geld is van de burgers. Mensen weten zelf het beste wat ze met hun geld willen doen.
  • Minder management; de leraar, de verpleegkundige, de politieagent hun vak terug.
  • Minder regels en gedoe.
  • Investeren in startende ondernemers.

Coalitie CDA/PvdA?

De VVD maakt zich grote zorgen over een coalitie van PvdA en CDA. Als die twee partijen samen gaan regeren, dan krijgt Nederland het zwaar voor de kiezen. Want we weten wat de PvdA wil:

  • De hypotheekrente-aftrek aanpakken. Dan dalen de huizenprijzen, dan blijven veel mensen zitten met een huis dat minder waard is dan hun hypotheek. Met alle gevolgen vandien.
  • De PvdA wil een nieuwe belasting invoeren voor 65-plussers. Dan betalen mensen twee keer voor hun pensioen.
  • De PvdA wil de uitgaven flink verhogen. Dan stroomt de schatkist weer leeg.
  • De PvdA wil de toegangspoorten tot Nederland weer openzetten. Dit laatste punt baart de VVD grote zorgen. Het immigratiebeleid is een van de grote successen van het kabinet. Door het beleid van minister Rita Verdonk is de komst van buitenlanders via huwelijk of gezinshereniging met de helft gedaald. Van 23.000 in 2003 naar 9.400 tot september dit jaar. Dus spectaculair minder. De VVD wil mensen die ons land kunnen versterken, zoals ondernemers en hoogopgeleiden, welkom heten, maar de grens sluiten voor gelukszoekers.

Er staat op 22 november veel op het spel. Er valt iets te kiezen. Het gaat over de toekomst van ons allemaal. Nederland heeft de VVD ongelooflijk hard nodig.

Met vriendelijke groet,
VVD-Voorlichting
Tweede Kamer der Staten-Generaal

08 november 2006

standpunt PvdA - toelichting

Geachte heer De Haas, heer Oosterom en mevrouw De Haas,

De PvdA heeft haar ideeën rond onderwijsvrijheid geformuleerd in de bijgaande brochure. In ons verkiezingsprogramma schrijven wij enkele zaken die zijdelings in dit verband van belang zijn:

"Bij voorkeur zijn de leerlingen op scholen in het primair onderwijs een afspiegeling van de buurt. Aanmelding voor primair onderwijs gebeurt vanaf twee jaar en ouders worden hierover voorgelicht, zodat alle ouders een eerlijke kans krijgen op plaatsing op de gewenste school.

Gemeenten en schoolbesturen komen in de positie om niet-vrijblijvende afspraken te maken over het realiseren van gemengde scholen in wijken waar dat mogelijk is. De vrijheid van ouders om de school te kiezen voor hun kinderen staat daarbij
voorop."

Daarnaast vindt de PvdA dat scholen niet zomaar leerlingen mogen weigeren, zodra de ouders de grondslag van de school respecteren.

Op zich staat de overschrijdingsregeling (inzake gelijke bekostiging) niet in artikel 23, maar is het een uitwerking ervan. De PvdA wil de gelijke bekostiging van het bijzonder onderwijs niet aantasten. Nu en dan bevindt het openbaar onderwijs zich echter wat de bekostiging betreft in een nadelige positie ten opzichte van het bijzonder onderwijs (bijvoorbeeld bij de mogelijkheid om bepaalde leerlingen te weigeren) en daar kijkt de PvdA wel kritisch tegenaan.

Met vriendelijke groeten,
Walfred Haans
beleidsmedewerker onderwijs van de Tweede Kamerfractie van de PvdA

vrijheid van onderwijs

Opvallend bericht op Teletekst:

Met het CDA in het kabinet zal niet worden getornd aan de vrijheid van onderwijs. Dat zei premier Balkenende bij de EO. Hij noemde die het wezen van zijn politieke beweging. Daarover kan niet met het CDA worden onderhandeld. Balkenende sloot zich daarmee aan bij de ChristenUnie. Lijsttrekker Rouvoet zal niet meedoen aan een kabinet dat morrelt aan de vrijheid van onderwijs. Hij riep de VVD op afstand te nemen van uitspraken van nummer 2, Rita Verdonk. Zij wil de groei van het aantal zwarte scholen tegengaan onder meer door blanke ouders te dwingen hun kinderen naar een gemengde school te sturen.

Balkenende en Rouvoet hebben het over "vrijheid van onderwijs" in de betekenis van de vrijheid die ouders zouden hebben om hun kind naar de school van hun keuze te laten gaan. Zoals wij al eerder op dit blog hebben geconstateerd is dit NIET de strekking van artikel 23 van de Grondwet. Dat artikel definiëert vrijheid van onderwijs als het recht om een school te stichten die de overheid dan bekostigt. Dat is heel iets anders! Wanneer Balkenende roept dat de vrijheid van ouders om zelf een school te kiezen "het wezen van zijn politieke beweging" is, dan heeft hij ergens onderweg de boot gemist.

Ik ben het met Verdonk eens dat de overheid nadere regels zou moeten kunnen stellen. Daarmee kunnen leerlingen met verschillende culturele en etnische achtergronden beter worden gespreid over verschillende scholen in de stad. Lijkt me een prima zaak voor de integratie.

24 oktober 2006

In het nieuws




Vandaag veel onderwijsnieuws.

23 oktober 2006

Duivels?

Liz logeert dit weekeinde bij ons. Altijd gezellig. Liz is vijf jaar en praat honderduit. Haar mondje staat niet stil. Op zaterdag doen we boodschappen. We parkeren de auto in de parkeergarage naast het winkelcentrum en wandelen naar de AH. "Als je dood ben, dan ben je bij de here Jezus", deelt Liz ons mee. Goed om te weten. "Maar niet als je stout bent , want dan ben je bij de duivel. Want die houdt van stout".

Liz zit in groep 2 van de basisschool. De Samen Op Weg-school voor protestants-christelijk onderwijs en dat is te merken ook. Hoe klein ze is, ze kent meer Jezusliedjes dan dat ik wist dat er bestonden. Prima hoor, daar zul je me niet over horen. Liz vindt zingen leuk, ze doet het graag, veel en luidruchtig. En dan maakt het mij niet uit of ze van Berend Botje zingt, of over het Lichtje in haar Hart. Allemaal prima.

Maar dat ze bang wordt gemaakt voor wat haar na de dood te wachten staat, dat vind ik wat anders. Ik weet niet goed hoe ik hier mee om moet gaan. Hoe moet ik in hemelsnaam reageren op haar mededeling over de duivel? Ik kom niet veel verder dan "Goed zo Liz, je hebt goed opgelet toen de juf dat vertelde". Maar het voelt niet goed.

21 oktober 2006

Over het dragen van hoofddoekjes op school

Mag de school bepaalde kleding verbieden?

Kleding zegt veel over wie je bent. Als je wilt dat mensen je als skater zien, trek je een wijde laaghangende broek aan. Wil je dat de mensen jou een kakker vinden, dan trek je een nette broek aan met lage schoenen en een stijf gestreken bloesje. Een directeur wil vaak dat zijn bedrijf of kantoor een bepaalde uitstraling heeft en vaak zal hij daarom zijn personeel verzoeken bepaalde kleding te dragen. Zo zal een advocate meestal een mantelpakje aan hebben en een ober in zwart-witte kleren. De directeur van jouw school zal vast ook tegen alle docenten hebben gezegd dat zij er netjes bij moeten lopen. Hij zal het waarschijnlijk niet goed vinden als de nieuwe lerares in een sexy korte broek voor de klas staat! Maar hetzelfde geldt voor jullie, als leerlingen. Niet alle scholen vinden het goed als de jongens met baseballpetjes op in de klas zitten.

Dennis is de stoerste jongen van de klas. Hij heeft altijd de nieuwste en duurste merkkleren. Veel jongens zijn daar jaloers op, vooral omdat Dennis de leukste meiden van de school kan krijgen. Dennis valt altijd op, maar dit komt niet alleen door zijn mooie kleren. Hij draagt namelijk altijd, maar dan ook altijd een baseballpet! Hoeveel hij er precies heeft, weet niemand. Maar dat het er veel zijn, is zeker. Niet alle leraren vinden het leuk dat Dennis een pet draagt. Sommigen kan het weinig schelen, maar andere leraren vinden dat ze Dennis niet goed kunnen zien als hij zo’n pet op heeft.

Hetzelfde geldt eigenlijk voor Faranak. Zij draagt geen pet, maar een niqaab. Deze niqaab bedekt haar hoofd en een groot deel van haar gezicht. Bij Faranak durven docenten er alleen niet zo goed wat van te zeggen. Ook bij haar vinden zij het lastig dat ze haar slecht kunnen aankijken, maar ze zijn bang dat Faranak zich gekwetst voelt als zij haar niqaab af zou moeten doen. Faranak draagt de hoofddoek niet zomaar omdat ze dat leuk vindt, of omdat het in de mode is, zoals Dennis. Ze doet het echt vanuit haar geloof!

Je begrijpt dat dit voor docenten best lastig kan zijn. Aan de ene kant willen ze iedereen op school de ruimte geven om zichzelf te zijn, maar aan de andere kant is het in Nederland niet fatsoenlijk als mensen elkaar niet goed kunnen aankijken. In 2003 heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen de ‘Leidraad kleding op school’ opgesteld. Hierin is duidelijk te lezen wat een school wel en niet mag verbieden op het gebied van kleding.

Scholen mogen baseballpetjes en bomberjacks zonder veel problemen verbieden. Meestal gebeurt dat omdat leraren en leraressen vinden dat het de onderlinge communicatie belemmert.

Het verbieden van hoofddoekjes en niqaabs (waarbij het gezicht grotendeels wordt bedekt), kan niet zomaar. Deze kledingstukken worden namelijk gedragen vanwege een geloof. En op de vrijheid van godsdienst mag niet zomaar inbreuk worden gemaakt. In de Leidraad kleding op school staat dat een openbare school geen hoofddoekjes mag verbieden, maar een bijzondere school wel. Een bijzondere school is een school met een bepaalde godsdienstige overtuiging, bijvoorbeeld een protestants-christelijke of katholieke school. Een bijzondere school mag de hoofddoek verbieden als dit in strijd is met de religieuze identiteit, de godsdienstige overtuiging van die school.

Een openbare school (een school zonder godsdienstige achtergrond) mag hoofddoekjes niet verbieden. Een enkele keer mag het wel, namelijk als het verbod ‘objectief gerechtvaardigd’ is. Een verbod is bijvoorbeeld objectief gerechtvaardigd als het dragen van een hoofddoek gevaarlijk is, bijvoorbeeld bij bepaalde gymoefeningen.

Bij een niqaab gaat de regel veel verder. Alle scholen, ook openbare scholen, mogen de niqaab verbieden vanwege communicatieproblemen. Dit heeft de Commissie Gelijke Behandeling bepaald. Je kunt je voorstellen dat het lastig is om met leerlingen te spreken die een niqaab dragen. Vaak kun je ze niet goed herkennen. Ook is de uitdrukking van hun gezicht niet goed te zien, wanneer er met hen gesproken wordt. Het verbieden van de niqaab mag dan ook als een school dit doet om de communicatie te verbeteren. In Nederland vinden de meeste mensen het namelijk belangrijk dat ze de persoon met wie ze praten goed kunnen zien.

20 oktober 2006

In het nieuws

Commentaar in Trouw heden morgen

Verdonk mengt zich in de discussie

Bericht op Teletekst vanmorgen:

Minister Verdonk vindt dat het dragen van een burka in de openbare ruimte zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Ze loopt daarmee vooruit op een advies dat een commissie van 7 wijzen begin november aan het kabinet uitbrengt. Verdonk noemt het gezichtsbedekkende kledingstuk een symbool van tweedeling, dat niet past bij de emancipatie van de vrouw en de integratie van moslims. Het kabinet zal zo snel mogelijk na het inwinnen van het advies een standpunt over de kwestie innemen. De commissie, waarin een arabist en een imam zitten, bekijkt of het juridisch mogelijk is om het dragen van een burka te verbieden.

De "publieke ruimte", omvat natuurlijk ook de basisschool. Het is de moeite waard om te onderzoeken welke regels op dit moment gelden en hoe de scholen voor bijzonder onderwijs daarmee omgaan. Mag een school nu al het dragen van een burka verbieden? En hoe zit het eigenlijk met de regels voor het dragen van een hoofddoek? Werk aan de winkel!

19 oktober 2006

Inhoud lesstof

De huidige schoolstrijd op dit blog gaat voornamelijk over het wel/niet beschikbaar stellen van gemeenschapsgelden voor bijzonder onderwijs.
Tot nu toe hebben we het nog niet gehad over de inhoud van de lesstof. Wetenschap en religie wil namelijk nog weleens met elkaar in conflict komen. Het gaat in deze gevallen vaak wel over essentiele wetenswaardigheden, die door religieuze instituten niet geaccepteerd worden.

Kunnen wij onderwijsinstellingen accepteren die van mening zijn dat
  • de aarde en het heelal in 1 dag zijn ontstaan aan de hand van ingrijpen van God?

  • de evolutietheorie als onzin afdoen?

  • de perceptie van geschiedenis veranderen (b.v. kruistochten/ark van noach)?

  • die maatschappelijk verworvendheden als "zondig" afdoen (b.v. homoseksualiteit)?
En zo is er uiteraard nog een aantal voorbeelden te noemen.

Persoonlijk vind ik dat dergelijke standpunten niet als waarheid gepresenteerd kunnen worden aan leerlingen. Uiteraard wel als mening die geldt binnen enkele religieuze bewegingen. Maar wie toetst dit?

Onlangs zag ik een documentaire op televisie (helaas weet ik niet meer hoe deze documentaire heet) over een nieuwe universiteit in Amerika. Deze universiteit is volledig gestoeld op de bijbel. De evolutieleer wordt hier bijvoorbeeld ontkend.
Studenten worden veelal uitgenodigd voor stageplaatsen bij belangrijke organisaties zoals het Witte Huis en krijgen dus ook steeds meer aanzicht en inspraak in het maatschappelijke leven. Mag Nederland deze kant op gaan?

Standpunt SP - toelichting

Beste Frans de Haas, Freek Oosterom en Mirjam de Haas,

Dank voor de gezonden e-mail.

Artikel 23/schoolsegregatie

SP heeft met PvdA, D66 en GL een initiatiefwetsvoorstel ingediend dat voor alle scholen acceptatieplicht regelt, als de ouders de grondslag van de school respecteren.

Verder is SP voorstander van:

  • basisscholen maken met gemeenten afspraken over gemengde toelating door met 2 wachtlijsten te werken: een wachtlijst voor leerlingen zonder en een wachtlijst voor leerlingen met achterstand
  • nieuwe scholen zijn een afspiegeling van de omgeving
  • er komt een moratorium op de bekostiging van orthodoxe scholen

Standpunt: het afschaffen van artikel 23 is op dit moment geen haalbare zaak. Wij zijn voor een acceptatieplicht van alle scholen.

Artikel 23

SP wil: Acceptatieplicht en vervangen godsdienstles door lessen levensbeschouwing: kennis van en respect voor elkaars levensbeschouwingen. Geen godsdienstbeoefening.
SP is voor afschaffen artikel 23 en moratorium op bekostiging orthodoxe scholen.

Vriendelijke groet
Ingrid Gyömörei
Medewerker SP Tweede Kamerfractie
Onderwijs en integratie

Discriminatie?

Ieder kind heeft recht op onderwijs. Maar heeft ieder kind ook recht op ieder onderwijs?

Momenteel is dat niet zo. Het is voor een bijzondere school namelijk mogelijk om leerlingen te weigeren die niet voldoen aan het profiel dat de school heeft bepaald. Dat deze mogelijkheid tot uitsluiting voor een school bestaat, resulteert mijns inziens in de conclusie dat de bijzondere school ook niet gefinancierd mag worden met gemeenschapsgelden. Waar wij allen voor betalen, moet ook voor allen toegangelijk zijn!

De hieronder volgende tekst komt van de website Landelijk Bureau ter Bestrijding van rassendiscriminatie (LBR) en gaat specifiek in op de wetgeving betreffende het speciaal onderwijs.


Inleiding
Het verbod op discriminatie geldt zowel voor het beleid van de school bij de selectie van personeel en de toelating en deelname van leerlingen als voor de omgang met elkaar binnen de school. Daarnaast zal bij het maken en hanteren van kledingvoorschriften rekening gehouden moeten worden met het discriminatieverbod.
De hieronder beschreven teksten zijn een algemene inleiding op voor het onderwijs relevante wetgeving op het gebied van discriminatie.


De Algemene Wet Gelijke Behandeling
De Algemene Wet Gelijke Behandeling (AWGB)
verbiedt het maken van direct en indirect onderscheid op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid en burgerlijke staat.

Bij direct onderscheid worden mensen op grond van één van bovengenoemde kenmerken achtergesteld of geweigerd.

Bij indirecte discriminatie gaat het om de effecten van het hanteren van bepaalde criteria of van een bepaald beleid. Het criterium waarmee onderscheid wordt gemaakt lijkt dan neutraal, maar wanneer dit onderscheid wordt gemaakt kan dit leiden of leidt dit tot achterstelling van bepaalde groepen mensen.

Er zijn een paar uitzonderingen mogelijk op het verbod op indirect onderscheid. Dit is het geval als er een objectieve rechtvaardiging is.Het doel van het beleid moet dan duidelijk niet discriminerend zijn. Ook moeten de gekozen middelen beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Tenslotte moeten de middelen geschikt en noodzakelijk zijn om het gestelde doel te bereiken.

Zo mag bijvoorbeeld het bijzonder onderwijs gezien haar doelstelling, in bepaalde gevallen eisen stellen aan de levensovertuiging van haar personeel.


Strafrecht
Behalve in de Algemene Wet Gelijke Behandeling zijn er ook in het Wetboek van Strafrecht een aantal bepalingen opgenomen die discriminatie verbieden. Zo worden onder meer als misdrijf strafbaar gesteld:

  • het beledigend uitlaten over een groep mensen op grond van hun ras;

  • het aanzetten tot haat tegen of discriminatie van of gewelddadig optreden
    tegen mensen vanwege hun ras;.

  • het openbaar maken van uitlatingen waarvan men weet of kan vermoeden dat ze
    voor een groep mensen vanwege hun ras beledigend zijn, danwel aanzetten tot haat
    of discriminatie..
Het strafrecht is een relatief zwaar middel, andere procedures zijn vaak geschikter om discriminatie tegen te gaan. Niettemin biedt het strafrecht houvast bij het stellen van normen in de dagelijkse omgang, bijvoorbeeld op school.

Bij de selectie van personeel en toelating en deelname van leerlingen is er sprake van een spanningsveld tussen de vrijheid van onderwijs zoals vastgelegd in Artikel 23 van de Grondwet en het recht om gevrijwaard te blijven van discriminatie. Het onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs is hierbij van belang, omdat het bijzonder onderwijs onder omstandigheden meer vrijheid heeft om eisen te stellen.

In het algemeen geldt er een verbod op het maken van direct onderscheid op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook. Scholen mogen dus bij de selectie van personeel en toelating en deelname van leerlingen iemand niet weigeren of op een wachtlijst plaatsen op grond van één van de bovengenoemde kenmerken.

In het bijzonder onderwijs is hierop een uitzondering mogelijk. Scholen mogen bij de selectie van personeel onder bepaalde omstandigheden eisen stellen, die van belang zijn voor de verwezenlijking van de religieuze grondslag van de onderwijsinstelling. Dit betekent dus dat zij in bepaalde gevallen onderscheid mogen maken op grond van godsdienst. Voorwaarde hierbij is dat de religieuze grondslag van de school kan worden vastgesteld op grond van de statuten en daarnaast ook beleefd en uitgedragen wordt. Ook moet op basis van concrete omstandigheden aannemelijk gemaakt worden dat de functie-eisen nodig zijn voor de verwezenlijking van de
grondslag.Daarnaast moeten de functie-eisen consequent toegepast worden in vergelijkbare functies (consistentievereiste).
Tenslotte is er de randvoorwaarde dat de gestelde eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van de genoemde discriminatiegronden.


Toelating en deelname leerlingen
Ook voor leerlingen geldt dat het bijzonder onderwijs onder bepaalde omstandigheden eisen mag stellen bij toelating en deelname. Ook hier geldt dat aangetoond moet worden dat dit van belang is voor de verwezenlijking van de religieuze grondslag van de instelling. Hierbij mogen scholen leerlingen alleen weigeren als er op een redelijke afstand van de leerling gelijksoortig openbaar onderwijs is. Daarnaast gelden de onder ‘Selectie van personeel’ genoemde voorwaarden.


Kledingvoorschriften
Scholen mogen regels stellen ten aanzien van kleding, mits deze niet discriminerend zijn. In het algemeen mag een hoofddoek niet verboden worden omdat dit in strijd is met de vrijheid van godsdienst. Ook hier geldt echter dat onder bepaalde voorwaarden het bijzonder onderwijs kledingeisen mag stellen die van belang zijn voor de verwezenlijking van de religieuze grondslag van de instelling; kleding die geassocieerd kan worden met een andere levensovertuiging kan dan verboden worden. Ook hier zijn er echter de hierboven genoemde voorwaarden vereist. Een school die leerlingen met een andere levensovertuiging eenmaal toegelaten heeft kan uitingen van andere levensovertuigingen vervolgens niet verbieden.

Ook een verbod op gezichtsbedekkende kleding leidt tot indirect onderscheid. De Commissie Gelijke Behandeling heeft echter geoordeeld dat er voor een dergelijk verbod wel een rechtvaardiging te vinden is in argumenten die samenhangen met het pedagogisch beleid van de school en het vaststellen van de identiteit.

Sommige scholen hanteren ook kledingvoorschriften ten aanzien van kledingstukken die kunnen worden geassocieerd met extreem-rechts, zoals bv. bepaalde kledingmerken, bomberjacks of legerkisten met witte veters. Omdat deze kledingstukken niet als symbool voor een levens- of politieke overtuiging door de wet worden beschermd kunnen scholen het dragen van deze kledingstukken verbieden via het schoolreglement. Het is hierbij uiteraard wel noodzakelijk om dit via de gebruikelijke wegen te doen, waarbij door de inspraakorganen wordt nagegaan of de maatregel nodig en zinvol is. Ook moet de maatregel voor alle leerlingen gelijkelijk gelden.


Tegengaan van segregatie in het onderwijs
Het toelatingsbeleid van scholen komt regelmatig ter sprake bij beleid gericht op het tegengaan van segregatie. Zo zijn er beleidsvoorstellen waarin gesproken wordt van aparte wachtlijsten, quota of spreidingsbeleid om de verdeling van allochtone en autochtone leerlingen over de verschillende scholen te beïnvloeden.Voorstellen waarin direct onderscheid gemaakt wordt tussen allochtone en autochtone leerlingen zijn in strijd met de Algemene Wet Gelijke Behandeling en de vrijheid van onderwijs. Ouders hebben de vrijheid om hun kind te laten plaatsen op de school van hun keuze.

Een alternatief wordt gezocht in het spreiden van leerlingen met een achterstand. Omdat deze achterstand vaak vastgesteld wordt op basis van de schoolopleiding van (één van) de ouders of de afkomst van de ouders en omdat allochtone leerlingen relatief vaker een (taal)achterstand hebben is er hier sprake van indirect onderscheid. Hiervoor is er geen objectieve rechtvaardiging te vinden zo lang er ook nog andere middelen zijn om de segregatie tegen te gaan en de integratie te bevorderen.